nrcnext.nl, 4 januari 2009
Het geheim van grote ondernemers
Thomas Lepeltak, oud-societyverslaggever van De Telegraaf, portretteert in het boek Zo werden wij rijk (2008, Boom) de mensen die Nederland hebben verrijkt met werkgelegenheid, producten en welvaart. Wat is hun geheim?
Door Steven de Jong
We rijden over hun bruggen, vliegen met hun maatschappijen en kunnen ons geen winkelstraat meer voorstellen zonder hun supermarkten, reisbureaus en kledingzaken. Maar hun eigennaam, laat staan hun levensverhaal, is ons nagenoeg onbekend.
'Ik wilde dit nooit meer meemaken'
Exemplarisch voor het groepje ondernemers dat Lepeltak interviewde is Ferdinand Fransen, de reismagnaat die Arke Reizen (een reisbureau dat begon met een paar bussen) liet groeien tot een bedrijf met een miljardenomzet. In 1928, aan de vooravond van de Grote Depressie, werd Fransen geboren in een arm, Enschedees gezin. Zijn vader, een huisschilder, overleed toen Fransen tien jaar oud was. In de hongerwinter werd zijn ondernemerschap geboren. "Ik wilde dit nooit en nooit meer meemaken." Waarmee hij niet alleen de doppinda's als avondeten bedoelde, maar ook de "vernedering van giften, waarvoor de barmhartige gevers wel erg nadrukkelijk bedankt wensten te worden".
Uitschakelen van de tussenhandel
Fransen ging aan de slag als boekhouder bij Reisbureau Twenthe en touringcarbedrijf Arke & Ten Barge. In die tijd genoten kantoorbedienden weliswaar veel aanzien, maar verdienden ze minder dan fabrieksarbeiders. Al gauw stapte hij daarom over naar de machinefabriek om vervolgens weer teruggevraagd te worden voor een commerciële functie bij de reisagent. In salaris ging hij er meer dan honderd procent op vooruit: van 60 naar 125 gulden in de maand. Zijn nieuwe functie was hem op het lijf geschreven. Toen hij van een taxichauffeur hoorde dat het hotel waar zijn reisbureau zaken mee deed de gasten ook wel eens bij particulieren onderbracht, bood hij direct die gastgezinnen een contract aan. Aan tussenhandelaren had hij een broertje dood.
Dirk van den Broek (1924), bekend van de gelijknamige supermarktketen, maakte er ook een sport van om de tussenhandel uit te schakelen. Eind jaren twintig trok de boerenzoon met een ponywagen Amsterdam-West in om daar de melk van zijn vader direct aan de consument te slijten. De centen die de tussenhandelaren - melkboeren en grossiers - aan de melk verdienden kon de familie Van den Broek nu in eigen zak steken. Hier ontpopte de jonge ondernemer zich ook als prijsvechter, want hij kon nu melk leveren voor negen cent per liter (drie liter voor een kwartje), terwijl de melkboer minstens 11 cent berekende.
Bewijsdrang
In 1948 werd Dirk van den Broek geïnspireerd door het succesverhaal van Robert Otis en Ray Dawson. Ondernemers die de eerste zelfbedieningszaak ter wereld hadden geopend, waar klanten de producten zelf uit de schappen mochten pakken. Uniek destijds. Van den Broek, inmiddels eigenaar van een eigen winkeltje, besloot in de loods in zijn tuin dit concept te kopiëren. Een paar maanden na lezing van het Amerikaanse succesverhaal, was de eerste supermarkt van Amsterdam een feit. "Toe maar, mevrouw, u mag het echt zelf pakken", zo probeerde hij de schroom bij zijn klanten weg te nemen. Dat lukte niet altijd, want ze vonden het bij de kruidenier toch gezelliger. Net als bij het melkventen, besloot hij ook nu de tussenhandelaren uit te schakelen. De fabrikanten gingen direct aan hem leveren. De keten Van den Broek verschaft inmiddels werk aan 13.500 mensen, een imperium waartoe ook Bas van der Heijden, D-reizen, Digros en de Dirx-drogisterijen behoren. Wat Ferdinand Fransen en Dirk van den Broek gemeen hebben is hun drang zichzelf te bewijzen. Dirks vader had namelijk geen hoge pet van hem op. “Jij zult nooit een goede boer worden”, luidt de vernedering die hem tot tranen roerde. Dirk wist de namen van de koeien niet uit elkaar te houden. Voor zijn vader had hij afgedaan en om dat te compenseren stortte hij zich op het melkventen.
Groei als overlevingsstrategie
Terug naar Ferdinand Fransen. In 1963 wordt hij, als zijn directeuren zich één voor één terugtrekken uit het bedrijf, aandeelhouder in het reisbureau. Terwijl Fransen wil groeien, zich wil storten op vliegvakanties naar de zon, is zijn kompaan terughoudend: "Ferdinand, kunnen wij het niet mooi klein houden, jij en ik? Een paar bussen, meer hebben wij toch niet nodig?" Maar Ferdinand zag de groei als overlevingsstrategie, schrijft Lepeltak. "In de reisbranche wint de massa." Bungalows, appartementen en hotels volgden. Op de Canarische Eilanden bouwt hij een heel vakantiepark. In de loop van de jaren negentig verkoopt hij alle aandelen aan het Duitse Touristik Union International (TUI). De nestor van de Nederlandse reiswereld, zoals Lepeltak hem noemt, geniet nu van zijn oude dag in een behaaglijke villa in Enschede, de woonplaats waar hij als kansarme jongen het levenslicht zag.
Luisteren en afkijken
Fransen en Van den Broek hebben altijd geluisterd naar hun werknemers, en hielden tegelijkertijd de concurrentie scherp in de gaten. "Je moet nooit denken dat je de wijsheid in pacht hebt. De loopjongen kan je nog iets vertellen wat je niet wist en waar je nooit op was gekomen. Een baas die niet naar zijn mensen luistert, is geen knip voor de neus waard", zegt de grootgrutter. Dirk van den Broek is zelfs mystery guest in zijn eigen winkels. Lepeltak: "Als je naar het hoofdkantoor van de Samenwerkende Dirk van den Broek Bedrijven in Hoofddorp rijdt, is het best mogelijk dat je een oudere heer in een verschoten goedkoop jack ziet rondwandelen. Dat is zijn spionagejas". En zo gaat hij ook bij de concurrentie, bijvoorbeeld Albert Heijn, op bezoek.
Hekel aan graaiende managers
Beide ondernemers ergeren zich aan de bezoedeling van het ondernemerschap door types die in de volksmond ‘graaiers’ worden genoemd. "De zogenaamde ondernemers die scheppen geld uit hun bedrijf halen", verduidelijkt Fransen. "Een bedrijf dat niet eens van hun is. Dat zijn geen echte ondernemers, maar managers." Het gaat tegen al zijn principes in, want als je een bedrijf aan het opbouwen bent "laat je natuurlijk zoveel mogelijk geld in de firma zitten. Later als je het verkoopt, dan is het anders."
Jo Roelof Zeeman, oud-projectontwikkelaar met een miljardenportefeuille, noemt het beestje bij de naam: "Rijkman Groenink, de voormalig bestuursvoorzitter van ABN AMRO, heeft niets bereikt. Hij haalde geen van zijn eigen doelstellingen. Ik vind het een goede zet van Wouter Bos dat hij nu onze gemeenschappelijke trots heeft teruggekocht. Bij ABN is bijna een miljard aan bonussen uitgekeerd. Kaalplukken dat volk, dat daar zo van profiteert!"
Dirk van den Broek neemt tegenover Lepeltak de voormalig topman van Ahold, Cees van der Hoeven, op de korrel. "Die kocht in Amerika de ene zaak na de andere. Van de centen van de aandeelhouders. Duidelijker kan het verschil tussen de ondernemer-eigenaar, die zelf het kapitaalrisico loopt, en de aangestelde directeur niet zijn."
'Wij zijn niet bang, wel voorzichtig'
Hoe Van den Broek zelf overnames voorbereidde? "Wij praten liever niet van overnemen, maar van voortzetten. Daar trokken wij veel tijd voor uit. Eerst ging ik met mijn vrouw daar een maand volkomen onopgemerkt boodschappen doen. Kijken wat voor zaak het was. Daarna bekeken wij uitgebreid de boekhouding en spraken de leiding. Zo'n overname ging met de grootste zorgvuldigheid gepaard. Ja, jongen, het zijn mijn centen. Mijn eigen centen. We zijn niet bang, maar wel voorzichtig." Van den Broek heeft dat met de paplepel ingegoten gekregen. Zijn moeder zei: "Als je het straks met meisjes aanlegt: denk erom niet de dochter van de barones, maar ook niet de dochter van de dienstbode. Zoek een meisje van een familie waar ze van aanpakken weten. En waar ze weten wat een gulden waard is."
'We hebben maar een concurrent. Dat is onze gezondheid'
Van den Broek, Fransen: het zijn volgens Lepeltak geen ondernemers die in risico's denken, maar in kansen, zelf gecreëerde kansen. Ze hebben een onwrikbaar geloof in hun eigen kunnen, ondanks het gebrek aan erkenning van hun ouders. Toen Sylvia Tóth (1944), dochter van een Hongaarse zigeuner en voormalig bestuursvoorzitter van uitzendbureau Content, trots met haar HBS-diploma zwaaide, zei haar vader: "Ik had niets anders van je verwacht." Haar drijfveer is vergelijkbaar met die van Ferdinand Fransen. "Ze wist alleen wat ze niet wilde: huisvrouw worden en arm zijn", schrijft Lepeltak. Het zijn stuk voor stuk ondernemers die nooit hebben gewacht op wind in de zeilen. Ze roeiden zelf naar hun succes toe. De selfmade ondernemers die Lepeltak portretteerde, waaronder ook Jaap de Groot (grootindustrieel), Bert Mandemakers (meubels), Hennie van der Most (horeca), hebben vaak alleen lagere school gehad. Het zijn harde werkers die ook nu nog op de centen letten. Eenmanslegers, of zoals vastgoedmagnaat Tom Westermeijer het verwoordt: "We hebben maar een concurrent. Dat is onze gezondheid."
'Doe waar je goed in bent en besteed de rest uit'
Westermeijer nam in zijn jeugd het besluit rijk te worden. Nooit zou hij meer een bloembol eten, zoals hij gewend was in de hongerwinter. Op zijn 24ste had hij al twee ton verdiend in de pianohandel. Hij heeft ook de meest concrete tips voor jongeren die dezelfde ambitie koesteren. "Een goede verkoper kan zichzelf ook goed verkopen. Toen ik geen cent had en langs de deur ging, had ik toch altijd een schoon wit overhemd aan, een stropdas en een colbert." Hard willen werken moet ook in de genen zitten. "Vroeg opstaan, bijvoorbeeld om zes uur. En voor elf uur naar bed. En niet teveel alcohol drinken."
Tot slot benadrukt Westermeijer dat je als ondernemer je afspraken moet nakomen. "Als ik ergens om twee uur een afspraak had, was ik altijd tien minuten eerder aanwezig." Die duidelijkheid kenmerkt ook Jaap de Groot (1923), bouwer van olieplatforms. "Ons credo was: we doen het goed of we doen het niet. We deden zelf alleen de dingen waar we goed in waren en de overige zaken besteedden wij uit. Ons 'ja' was een 'ja' en ons 'nee' een 'nee'. Die duidelijkheid stelden onze klanten op prijs."
De ondernemers die Lepeltak heeft geportretteerd zijn inmiddels allen bejaard. Studiebollen waren het niet, jongens van het snelle geld evenmin: hun kapitaal groeide gestaag, niet met horten en stoten, maar door hard werken en vastberadenheid. Calvinisten met een oer-hollands arbeidsethos en ingetogen, publiciteitsschuw gedrag. Ambivalent hieraan zijn hun groeistuipen; waarom één winkel openen als je er ook honderd kunt bestieren? Enkelen hebben hun bedrijf naar de beurs gebracht, maar de nostalgie van het familiebedrijf gaat hen aan het hart. Opvallend is dat veel van de geïnterviewden in een arm gezin opgroeiden, soms zelfs als tiener voor eten op tafel moesten zorgen omdat de vader kwam te overlijden, te weinig verdiende of werkloos raakte. Het zijn geboren leiders die de armoe in hun jeugd als drijfveer voor hun succes beschouwen. Vanuit de goot bestegen zij de top van het bedrijfsleven.

Het geheim van grote ondernemers
Thomas Lepeltak, oud-societyverslaggever van De Telegraaf, portretteert in het boek Zo werden wij rijk (2008, Boom) de mensen die Nederland hebben verrijkt met werkgelegenheid, producten en welvaart. Wat is hun geheim?
Door Steven de Jong
We rijden over hun bruggen, vliegen met hun maatschappijen en kunnen ons geen winkelstraat meer voorstellen zonder hun supermarkten, reisbureaus en kledingzaken. Maar hun eigennaam, laat staan hun levensverhaal, is ons nagenoeg onbekend.
'Ik wilde dit nooit meer meemaken'
Exemplarisch voor het groepje ondernemers dat Lepeltak interviewde is Ferdinand Fransen, de reismagnaat die Arke Reizen (een reisbureau dat begon met een paar bussen) liet groeien tot een bedrijf met een miljardenomzet. In 1928, aan de vooravond van de Grote Depressie, werd Fransen geboren in een arm, Enschedees gezin. Zijn vader, een huisschilder, overleed toen Fransen tien jaar oud was. In de hongerwinter werd zijn ondernemerschap geboren. "Ik wilde dit nooit en nooit meer meemaken." Waarmee hij niet alleen de doppinda's als avondeten bedoelde, maar ook de "vernedering van giften, waarvoor de barmhartige gevers wel erg nadrukkelijk bedankt wensten te worden".
Uitschakelen van de tussenhandel
Fransen ging aan de slag als boekhouder bij Reisbureau Twenthe en touringcarbedrijf Arke & Ten Barge. In die tijd genoten kantoorbedienden weliswaar veel aanzien, maar verdienden ze minder dan fabrieksarbeiders. Al gauw stapte hij daarom over naar de machinefabriek om vervolgens weer teruggevraagd te worden voor een commerciële functie bij de reisagent. In salaris ging hij er meer dan honderd procent op vooruit: van 60 naar 125 gulden in de maand. Zijn nieuwe functie was hem op het lijf geschreven. Toen hij van een taxichauffeur hoorde dat het hotel waar zijn reisbureau zaken mee deed de gasten ook wel eens bij particulieren onderbracht, bood hij direct die gastgezinnen een contract aan. Aan tussenhandelaren had hij een broertje dood.
Dirk van den Broek (1924), bekend van de gelijknamige supermarktketen, maakte er ook een sport van om de tussenhandel uit te schakelen. Eind jaren twintig trok de boerenzoon met een ponywagen Amsterdam-West in om daar de melk van zijn vader direct aan de consument te slijten. De centen die de tussenhandelaren - melkboeren en grossiers - aan de melk verdienden kon de familie Van den Broek nu in eigen zak steken. Hier ontpopte de jonge ondernemer zich ook als prijsvechter, want hij kon nu melk leveren voor negen cent per liter (drie liter voor een kwartje), terwijl de melkboer minstens 11 cent berekende.
Bewijsdrang
In 1948 werd Dirk van den Broek geïnspireerd door het succesverhaal van Robert Otis en Ray Dawson. Ondernemers die de eerste zelfbedieningszaak ter wereld hadden geopend, waar klanten de producten zelf uit de schappen mochten pakken. Uniek destijds. Van den Broek, inmiddels eigenaar van een eigen winkeltje, besloot in de loods in zijn tuin dit concept te kopiëren. Een paar maanden na lezing van het Amerikaanse succesverhaal, was de eerste supermarkt van Amsterdam een feit. "Toe maar, mevrouw, u mag het echt zelf pakken", zo probeerde hij de schroom bij zijn klanten weg te nemen. Dat lukte niet altijd, want ze vonden het bij de kruidenier toch gezelliger. Net als bij het melkventen, besloot hij ook nu de tussenhandelaren uit te schakelen. De fabrikanten gingen direct aan hem leveren. De keten Van den Broek verschaft inmiddels werk aan 13.500 mensen, een imperium waartoe ook Bas van der Heijden, D-reizen, Digros en de Dirx-drogisterijen behoren. Wat Ferdinand Fransen en Dirk van den Broek gemeen hebben is hun drang zichzelf te bewijzen. Dirks vader had namelijk geen hoge pet van hem op. “Jij zult nooit een goede boer worden”, luidt de vernedering die hem tot tranen roerde. Dirk wist de namen van de koeien niet uit elkaar te houden. Voor zijn vader had hij afgedaan en om dat te compenseren stortte hij zich op het melkventen.
Groei als overlevingsstrategie
Terug naar Ferdinand Fransen. In 1963 wordt hij, als zijn directeuren zich één voor één terugtrekken uit het bedrijf, aandeelhouder in het reisbureau. Terwijl Fransen wil groeien, zich wil storten op vliegvakanties naar de zon, is zijn kompaan terughoudend: "Ferdinand, kunnen wij het niet mooi klein houden, jij en ik? Een paar bussen, meer hebben wij toch niet nodig?" Maar Ferdinand zag de groei als overlevingsstrategie, schrijft Lepeltak. "In de reisbranche wint de massa." Bungalows, appartementen en hotels volgden. Op de Canarische Eilanden bouwt hij een heel vakantiepark. In de loop van de jaren negentig verkoopt hij alle aandelen aan het Duitse Touristik Union International (TUI). De nestor van de Nederlandse reiswereld, zoals Lepeltak hem noemt, geniet nu van zijn oude dag in een behaaglijke villa in Enschede, de woonplaats waar hij als kansarme jongen het levenslicht zag.
Luisteren en afkijken
Fransen en Van den Broek hebben altijd geluisterd naar hun werknemers, en hielden tegelijkertijd de concurrentie scherp in de gaten. "Je moet nooit denken dat je de wijsheid in pacht hebt. De loopjongen kan je nog iets vertellen wat je niet wist en waar je nooit op was gekomen. Een baas die niet naar zijn mensen luistert, is geen knip voor de neus waard", zegt de grootgrutter. Dirk van den Broek is zelfs mystery guest in zijn eigen winkels. Lepeltak: "Als je naar het hoofdkantoor van de Samenwerkende Dirk van den Broek Bedrijven in Hoofddorp rijdt, is het best mogelijk dat je een oudere heer in een verschoten goedkoop jack ziet rondwandelen. Dat is zijn spionagejas". En zo gaat hij ook bij de concurrentie, bijvoorbeeld Albert Heijn, op bezoek.
Hekel aan graaiende managers
Beide ondernemers ergeren zich aan de bezoedeling van het ondernemerschap door types die in de volksmond ‘graaiers’ worden genoemd. "De zogenaamde ondernemers die scheppen geld uit hun bedrijf halen", verduidelijkt Fransen. "Een bedrijf dat niet eens van hun is. Dat zijn geen echte ondernemers, maar managers." Het gaat tegen al zijn principes in, want als je een bedrijf aan het opbouwen bent "laat je natuurlijk zoveel mogelijk geld in de firma zitten. Later als je het verkoopt, dan is het anders."
Jo Roelof Zeeman, oud-projectontwikkelaar met een miljardenportefeuille, noemt het beestje bij de naam: "Rijkman Groenink, de voormalig bestuursvoorzitter van ABN AMRO, heeft niets bereikt. Hij haalde geen van zijn eigen doelstellingen. Ik vind het een goede zet van Wouter Bos dat hij nu onze gemeenschappelijke trots heeft teruggekocht. Bij ABN is bijna een miljard aan bonussen uitgekeerd. Kaalplukken dat volk, dat daar zo van profiteert!"
Dirk van den Broek neemt tegenover Lepeltak de voormalig topman van Ahold, Cees van der Hoeven, op de korrel. "Die kocht in Amerika de ene zaak na de andere. Van de centen van de aandeelhouders. Duidelijker kan het verschil tussen de ondernemer-eigenaar, die zelf het kapitaalrisico loopt, en de aangestelde directeur niet zijn."
'Wij zijn niet bang, wel voorzichtig'
Hoe Van den Broek zelf overnames voorbereidde? "Wij praten liever niet van overnemen, maar van voortzetten. Daar trokken wij veel tijd voor uit. Eerst ging ik met mijn vrouw daar een maand volkomen onopgemerkt boodschappen doen. Kijken wat voor zaak het was. Daarna bekeken wij uitgebreid de boekhouding en spraken de leiding. Zo'n overname ging met de grootste zorgvuldigheid gepaard. Ja, jongen, het zijn mijn centen. Mijn eigen centen. We zijn niet bang, maar wel voorzichtig." Van den Broek heeft dat met de paplepel ingegoten gekregen. Zijn moeder zei: "Als je het straks met meisjes aanlegt: denk erom niet de dochter van de barones, maar ook niet de dochter van de dienstbode. Zoek een meisje van een familie waar ze van aanpakken weten. En waar ze weten wat een gulden waard is."
'We hebben maar een concurrent. Dat is onze gezondheid'
Van den Broek, Fransen: het zijn volgens Lepeltak geen ondernemers die in risico's denken, maar in kansen, zelf gecreëerde kansen. Ze hebben een onwrikbaar geloof in hun eigen kunnen, ondanks het gebrek aan erkenning van hun ouders. Toen Sylvia Tóth (1944), dochter van een Hongaarse zigeuner en voormalig bestuursvoorzitter van uitzendbureau Content, trots met haar HBS-diploma zwaaide, zei haar vader: "Ik had niets anders van je verwacht." Haar drijfveer is vergelijkbaar met die van Ferdinand Fransen. "Ze wist alleen wat ze niet wilde: huisvrouw worden en arm zijn", schrijft Lepeltak. Het zijn stuk voor stuk ondernemers die nooit hebben gewacht op wind in de zeilen. Ze roeiden zelf naar hun succes toe. De selfmade ondernemers die Lepeltak portretteerde, waaronder ook Jaap de Groot (grootindustrieel), Bert Mandemakers (meubels), Hennie van der Most (horeca), hebben vaak alleen lagere school gehad. Het zijn harde werkers die ook nu nog op de centen letten. Eenmanslegers, of zoals vastgoedmagnaat Tom Westermeijer het verwoordt: "We hebben maar een concurrent. Dat is onze gezondheid."
'Doe waar je goed in bent en besteed de rest uit'
Westermeijer nam in zijn jeugd het besluit rijk te worden. Nooit zou hij meer een bloembol eten, zoals hij gewend was in de hongerwinter. Op zijn 24ste had hij al twee ton verdiend in de pianohandel. Hij heeft ook de meest concrete tips voor jongeren die dezelfde ambitie koesteren. "Een goede verkoper kan zichzelf ook goed verkopen. Toen ik geen cent had en langs de deur ging, had ik toch altijd een schoon wit overhemd aan, een stropdas en een colbert." Hard willen werken moet ook in de genen zitten. "Vroeg opstaan, bijvoorbeeld om zes uur. En voor elf uur naar bed. En niet teveel alcohol drinken."
Tot slot benadrukt Westermeijer dat je als ondernemer je afspraken moet nakomen. "Als ik ergens om twee uur een afspraak had, was ik altijd tien minuten eerder aanwezig." Die duidelijkheid kenmerkt ook Jaap de Groot (1923), bouwer van olieplatforms. "Ons credo was: we doen het goed of we doen het niet. We deden zelf alleen de dingen waar we goed in waren en de overige zaken besteedden wij uit. Ons 'ja' was een 'ja' en ons 'nee' een 'nee'. Die duidelijkheid stelden onze klanten op prijs."
De ondernemers die Lepeltak heeft geportretteerd zijn inmiddels allen bejaard. Studiebollen waren het niet, jongens van het snelle geld evenmin: hun kapitaal groeide gestaag, niet met horten en stoten, maar door hard werken en vastberadenheid. Calvinisten met een oer-hollands arbeidsethos en ingetogen, publiciteitsschuw gedrag. Ambivalent hieraan zijn hun groeistuipen; waarom één winkel openen als je er ook honderd kunt bestieren? Enkelen hebben hun bedrijf naar de beurs gebracht, maar de nostalgie van het familiebedrijf gaat hen aan het hart. Opvallend is dat veel van de geïnterviewden in een arm gezin opgroeiden, soms zelfs als tiener voor eten op tafel moesten zorgen omdat de vader kwam te overlijden, te weinig verdiende of werkloos raakte. Het zijn geboren leiders die de armoe in hun jeugd als drijfveer voor hun succes beschouwen. Vanuit de goot bestegen zij de top van het bedrijfsleven.
| Thomas Lepeltak: Zo werden wij rijk - Selfmade ondernemers in Nederland. Uitgeverij Boom, 183 blz. € 15,- |
Geen opmerkingen:
Een reactie posten